Verenigingen voor integratie via huisvesting in tijden van wooncrisis

Lezing in het kader van het colloquium "recht op wonen", georganiseerd door het OCMW van Molenbeek op 14 oktober 2011

Goede morgen,

Ik werk voor Buurthuis Bonnevie, een Molenbeekse vereniging die het recht op wonen verdedigt. De organisatoren hebben mij gevraagd om iets te zeggen over de rol die wij als verenigingen kunnen spelen om dat recht op wonen voor arme Brusselaars te realiseren, en ik dank hen voor die uitnodiging. Ik denk dat het een belangrijke vraag is, en het is een vraag waar wij met ons team al vaak over nagedacht hebben.

Sinds het jaar 2000 zijn de woningprijzen in Brussel meer dan verdubbeld. De bevolking groeit aan en verarmt. Als gevolg daarvan stijgt de vraag naar sociale woningen nog. Het aanbod aan betaalbare woningen groeit heel traag, ondanks vele politieke beloften. Er staan tegenwoordig meer mensen op de wachtlijst voor een sociale woning dan er mensen in zo’n woning wonen. Dit zijn veelzeggende gegevens. Maar het is pas in de overbevolkte, ongezonde en te duur betaalde appartementjes in onze buurt dat je de ware omvang van deze wooncrisis echt voelt, of in de al even overbevolkte wachtzalen van sociale diensten waar maatschappelijk werkers vaak machteloos naar de ellende van hun cliënten moeten luisteren.

Vele verenigingen voor integratie via huisvesting, ook ons Buurthuis, hadden oorspronkelijk als doel om hun publiek te helpen bij het zoeken naar een geschikte woning. We hielpen hen in de krant een privéwoning te zoeken, gingen met hen mee op huisbezoek, hielpen hen in te schrijven voor een sociale woning, en zo voort. Dat lukte zeker niet altijd, maar een groot deel van ons publiek slaagde er toch nog in om binnen een redelijke termijn een nieuwe woning in de buurt te vinden. Vandaag is dat niet meer zo. Tegen veel mensen die bij ons komen aankloppen moeten we zeggen dat we ze, op korte of middenlange termijn, niet kunnen helpen, hoe dringend hun nood ook is.

Als organisatie ga je je dan vragen stellen. Heeft ons werk nog zin? Zouden we er niet beter mee stoppen? Dat is denk ik een mogelijkheid.

Je kan ook besluiten dat het belangrijk genoeg is om de mensen een luisterend oor te bieden en dat elke hulp, ook al loont die pas op zeer lange termijn, beter is dan geen hulp. Dat kan, maar ik denk dat we onszelf een rad voor de ogen draaien als we in deze houding berusten.

We hebben de kans om meer te doen dan te luisteren. Wij kennen beter dan wie ook de problematiek waarmee ons publiek te maken heeft. We kennen ook ons publiek heel goed. Vaak stellen zij ook een groot vertrouwen in ons. Dat zijn allemaal grote troeven voor wie aan structurele veranderingen wil werken. En er zullen grote veranderingen nodig zijn! Er zullen duizenden nieuwe sociale woningen moeten gebouwd worden, en ook op de privé-markt moet er ingegrepen worden tegen de prijsstijgingen, door de huurprijzen en de verkoopprijzen te omkaderen. Er zullen ook nieuwe formules moeten uitgedokterd worden om oplossingen te zoeken voor de nieuwe problemen van vandaag. Het lijkt misschien onbegonnen werk om daar als kleine vereniging iets proberen aan te doen.
Moeilijk is het zeker, maar toch denk ik dat wij als verenigingen belangrijk werk kunnen doen op dat vlak. Ik zal enkele voorbeelden geven van wat wij in Buurthuis Bonnevie de afgelopen jaren hebben gedaan.

Eerst en vooral zijn we de gemeentelijke, gewestelijke en federale huisvestingspolitiek op de voet beginnen volgen, analyseren, en proberen te beïnvloeden. Dat hebben we altijd zo veel mogelijk gedaan samen met de mensen die bij ons over de vloer komen.
Zo komt bijvoorbeeld maandelijks de groep Alarm samen. Het is een comité van slecht gehuisveste buurtbewoners. Tijdens hun vergaderingen wisselen ze informatie uit en bereiden ze acties voor. Het comité haalde de nationale media met een test naar discriminatie door verhuurders, is regelmatig aanwezig bij de vergaderingen van de parlementaire commissie huisvesting, en vormt de harde kern van heel wat acties en betogingen voor het recht op wonen. Daarvoor werken we nauw samen met organisaties zoals de BBROW en het Ministerie van Wooncrisis.

Samen met onze collega’s van La Rue volgen we ook nauw de gemeentepolitiek op. Al twee keer stelden we samen een memorandum voor het recht op wonen in Molenbeek op. Dat heeft al zijn vruchten afgeworpen. Ongetwijfeld hebben die memorandums er toe bijgedragen dat de gemeente grote stappen vooruit heeft gezet op het vlak van wonen. Terwijl de toewijzing van gemeentewoningen vroeger, zoals op vele plaatsen, vooral op politiek dienstbetoon berustte, is het huidige toewijzingsreglement een voorbeeld voor heel het Brussels Gewest. De gemeente heeft ook transitwoningen gebouwd, is met een gemeentelijke woonraad begonnen, en heeft de strijd met de leegstand aangebonden. Dat alles is vooral de verdienste van de gemeente, maar zou allicht niet mogelijk geweest zijn zonder een alert verenigingsleven.

We hebben zelf ook, in samenwerking met verschillende andere partners, meegewerkt aan de creatie van nieuwe woningen.

Zo zijn we een aantal jaren geleden nauw gaan samenwerken met enkele sociale verhuurkantoren, zoals Baita. Dankzij die samenwerking zijn er ondertussen in onze buurt een twintigtal voorheen onbewoonbare woningen gerenoveerd tot betaalbare, kwalitatieve woningen voor ons publiek.

Een ander project is dat van L’Espoir. Samen met het Woningfonds, CIRE en een groep van 14 slecht gehuisveste gezinnen hebben we er voor gezorgd dat er in de Finstraat nieuwe woningen werden gebouwd, woningen waarvan die gezinnen eigenaar zijn kunnen worden voor een schappelijke prijs. In het begin verklaarde men ons voor gek, maar we hebben samen doorgezet, en het is ons gelukt. Het project heeft heel wat in beweging gezet. Het werd erkend als voorbeeldproject, en sinds de inhuldiging vorig jaar zijn er al duizenden mensen op bezoek gekomen om er inspiratie op te doen. Vooral de intense participatie van de bewoners was een grote meerwaarde, en het project zal waarschijnlijk op andere plaatsen navolging krijgen.

L’Espoir leidde er ook toe dat wij zijn gaan nadenken over vernieuwende formules van huiseigendom. Zo zijn wij, opnieuw samen met heel wat andere organisaties, beginnen nadenken over de oprichting van een Community Land Trust. Dat is een model dat ontstaan is in de Verenigde Staten. Land Trusts helpen arme bewoners om eigenaar te worden van een huis, terwijl de grond waarop dat huis gebouwd is eigendom blijft van de gemeenschap. In eerste instantie zagen we daar vooral een handige formule in om een aantal praktische moeilijkheden waarmee we bij L’Espoir te maken kregen op te lossen. Al gauw ontdekten we dat de visie op eigendom en sociale rechtvaardigheid die aan de basis van dit model ligt een belangrijk alternatief kan vormen voor de manier waarop de stad en de maatschappij vandaag gemaakt worden.

De wooncrisis stelt ons, als verenigingen, voor enorme uitdagingen. Ook al zijn wij, in vergelijking met de overheden of de huisvestingsmaatschappijen, kleine spelers, toch kunnen wij, denk ik, een grote rol spelen.

Individuele hulp aan diegenen die het meest uitgesloten worden blijft belangrijk. Maar we moeten meer doen.

In de eerste plaats moeten wij mee bouwen aan een krachtige beweging die een draagvlak creëert voor een sociaal woonbeleid, en die ingaat tegen de heersende tendens die wil dat alle problemen van Brussel opgelost worden door het creëren van een sociale mix, een mooie naam voor het aantrekken van rijkere bewoners en het verdringen van de armen. Vooral in buurten zoals deze zal dat de komende jaren een belangrijke strijd worden.

De wooncrisis en alle andere crisissen waar we vandaag mee geconfronteerd bieden ook kansen. In deze crisistijd komt er ruimte voor verandering. Dag na dag blijkt hoe het neoliberalisme niet tot welzijn voor iedereen heeft geleid, maar er alleen maar voor gezorgd heeft dat de rijken rijker zijn geworden en de armen armer. Meer en meer mensen beginnen dan ook te beseffen dat het anders moet. Daar moeten wij als verenigingen gebruik van maken, we moeten de vrijgekomen ruimte innemen met betere en rechtvaardige alternatieven.

Veel van de eerste sociale woonwijken in Brussel waren een reactie op de wooncrisis na de eerste wereldoorlog. Ze zijn er niet vanzelf gekomen, en het was ook niet de overheid die zij gebouwd heeft. Het zijn gezinnen die zich verenigd hebben en coöperaties gevormd hebben die aan de basis liggen van deze sociale woningen. Vandaag kunnen wij, als verenigingen voor het recht op wonen, die draad weer oppakken, door arme gezinnen die op ons beroep doen te helpen zich te organiseren en samen alternatieven uit te bouwen, en van de overheid te eisen dat ze nu eindelijk eens echt werk maakt van het recht op wonen.

Geert De Pauw
14 oktober 2011

2011-10-14 20:29:01

Alarm samen met Ministerie van Wooncrisis op de bres voor sociale woningen

   [...]

Het Ministerie van wooncris heeft de voorbije week actie gevoerd voor meer sociale woningen in Brussel. Alarm was prominent aanwezig bij alle acties.
"J'attends, j'attends, j'attends", het lied dat Jan voor de gelegenheid geschreven heeft zal nog lang in onze oren blijven nazinderen.

2011-06-23 15:46:45

Brusselse verenigingen voor recht op wonen ontmoeten Comissie Huisvesting

Alarm was er bij toen op woensdag 16 februari een aantal Brusselse verenigingen de leden van de Commissie Huisvesting van het Brussels Parlement ontmoetten. De leden van Alarm klaagden, via een korte maar krachtige tussenkomst, de lange wachtlijsten voor sociale huisvesting in Brussel aan. Sommigen van hen staan al meer dan tien jaar op de wachtlijst.

2011-02-24 13:53:21

Slotfeest Arm(w)oede-maand

We trokken met een dertigtal personen (leden ALARM, personeel en vrijwilligers van het Buurthuis) naar het slotfeest van de Arm(w)oede-maand in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. We werden er vergast op een culinaire maaltijd klaargemaakt door verschillende koks uit de Brusselse organisaties (met dank aan Fatiha en Karin) olv niemand minder dan Pierre Wynants van het sterrenrestaurant Comme Chez Soi.

2011-02-09 10:32:14

Alarm test discriminatie op huisvestingsmarkt

Het comité Alarm heeft de afgelopen maanden een test uitgevoerd naar rassendiscriminatie op de privé-huurmarkt. De resultaten bewijzen nog maar eens dat er op grote schaal gediscrimineerd wordt door verhuurders.

Alarm Brussel wordt al enkele jaren getroffen door een wooncrisis. Deze crisis treft in de eerste plaats de armsten. De stijgende prijzen op de privé-huurmarkt en het gebrek aan sociale woningen zorgen er voor dat het steeds moeilijker wordt om nog een degelijke en betaalbare woning te vinden in Brussel. In deze context werd het comité Alarm opgericht.

Alarm is een groep Molenbekenaars, vooral nieuwkomers van Afrikaanse origine, die zich verenigd hebben om op te komen voor hun recht op wonen. Zij komen regelmatig samen om deze problemen te bespreken en te analyseren, en om er actie tegen te ondernemen. Het comité wordt ondersteund door Buurthuis Bonnevie. Een van de thema’s die regelmatig terugkomen zijn de problemen die te maken hebben met discriminatie.

Een van de eerste acties van het comité, in 2002, was een telefoontest naar rassendiscriminatie. Toen stelden wij al vast hoe eigenaars reeds aan de telefoon, op basis van enkel een naam en een accent, mensen van vreemde origine uitsloten en hen geen kans gaven om de te huur staande woning te bezoeken. Nu, 7 jaar later, en ondanks een veranderde wetgeving, blijft het probleem voortbestaan.

Op internet en via de lokale advertentiebladen selecteerden wij 165 advertenties van te huur staande woningen. We selecteerden alle advertenties in het Brussels Gewest voor appartementen met 2 slaapkamers waarvan de huur niet hoger was dan 650 €. De test werd uitgevoerd tijdens zeven sessies in de periode tussen 15 april en 3 augustus 2009. Dit gebeurde door enerzijds leden van Alarm, en anderzijds een groep testbellers van Belgische origine. Beide groepen presenteerden zich, wanneer de verhuurder vragen stelde, met hetzelfde verhaal: koppel met 1 kind, man werkt en heeft een loon van 1500 €. De verhuurders werden eerst opgebeld door een van de leden van Alarm, die zich voorstelden met hun naam. Zij vroegen of de woning nog te huur stond en of het mogelijk was ze te bezoeken. Ongeveer een half uur later werd er opnieuw gebeld, dit keer door een testpersoon van Belgische origine, zonder accent, die zich voorstelde met zijn Belgische naam. Hij stelde exact dezelfde vragen, en gaf exact dezelfde antwoorden op eventuele vragen van de eigenaar. Wanneer de eerste beller te horen kreeg dat de woning verhuurd was of dat het niet mogelijk was ze te bezoeken (of dat hij later maar eens moest terugbellen, of dat er een optie genomen was, of dat het appartement nog niet bewoonbaar was), en de testbeller daarentegen wel een afspraak kreeg om de woning te bezoeken, dan was er een duidelijk vermoeden van discriminatie op basis van ras.

Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding trad op als waarnemer en heeft geholpen bij de uitwerking van een correcte methodologie van de test. In totaal werden 101 geldige tests afgenomen. Een aantal van de geselecteerde adressen bleek immers reeds verhuurd te zijn, of de verhuurders waren niet bereikbaar op het ogenblik van onze test. Op deze 101 geldige test werd er in 28 gevallen een ander antwoord gegeven aan de testbeller dan aan de beller van Alarm. In 28 % van de tests is er dus een duidelijk vermoeden van discriminatie bij de verhuurder op basis van de origine van de beller. Ook al heeft de test geen wetenschappelijke pretentie, omdat het staal niet representatief is, het cijfer is sprekend. 28% is veel, maar het cijfer toont slechts het topje van de ijsberg. Een afspraak krijgen om een appartement te bezoeken, of mogen deelnemen aan een groepsbezoek, is één ding. Het betekent allerminst dat men achteraf ook evenveel kans zal hebben om het appartement te kunnen huren als de blanke kandidaten. De discriminatie bij de toewijzing is echter moeilijk te testen. Het is heel moeilijk te bewijzen met welke argumenten een verhuurder rekening houdt om een woning aan de ene, dan wel aan de andere persoon te verhuren.

De leden van Alarm getuigen echter dat zij, bij hun zoektocht naar een woning, telkens weer dit soort discriminatie ervaren. Meer dan eens komen ze bijvoorbeeld op hun afspraak aan. Ze bellen aan, de verhuurder kijkt uit het raam en ziet dat het om een vreemdeling gaat. Ze krijgen niet eens de kans om de woning te bezoeken want prompt volgt, vanuit het raam, het antwoord “Sorry mijnheer, maar het appartement is al verhuurd.” Het is dus zeker niet zo dat “slechts” een vierde van de woningzoekers van vreemde origine gediscrimineerd wordt. In realiteit gaat het om een veel hoger percentage. Dit soort discriminatie, op basis van vooroordelen of van racisme, zorgt er voor dat een grote groep mensen in feite overgeleverd is aan huisjesmelkers die niet zo kieskeurig zijn, maar woningen van slechte kwaliteit aan veel te hoge prijzen verhuren aan wie geen andere keuze heeft.

Discriminatie bemoeilijkt niet alleen de zoektocht naar een degelijke woning, het is ook telkens weer een vernederende ervaring. Het is confronterend om steeds opnieuw te moeten ervaren dat je door veel medeburgers niet als evenwaardig wordt beschouwd. Tijdens onze test kregen we niet of nauwelijks te maken met openlijk racisme. Niemand zei “wij verhuren niet aan zwarten”. Waarschijnlijk realiseren de meeste eigenaars zich wel dat dit soort uitspraken strafbaar is. Dat is wellicht een verdienste van de anti-racismewetten. Maar om de discriminatie de wereld uit te helpen zijn deze wetten niet voldoende. De leden van Alarm ervaren vaak dat sommige verhuurders, uit onwetendheid of angst, er echt van overtuigd zijn dat ze bij huurders met een andere huidskleur meer risico lopen op wanbetaling of slecht onderhoud. Dit soort vooroordelen kan niet weggewerkt worden met wetten.

Door het onder de aandacht brengen van deze resultaten wil Alarm niet de huiseigenaars aan de schandpaal nagelen. De cijfers tonen dat vooroordelen en racisme nog alom tegenwoordig zijn, ook in een kosmopolitische en multiculturele stad als Brussel. Dat is waarschijnlijk niet alleen het geval voor de verhuring van woningen, maar voor alle domeinen van de maatschappij. Dit vormt een enorme hinderpaal voor een geslaagde integratie van vreemdelingen.

Om iets te doen aan de problemen die wij hier blootleggen is het dus belangrijk om vooroordelen en racisme bestrijden door permanente aandacht voor het probleem. Gerichte sensibiliseringscampagnes, in samenwerking met de eigenaars en de immobilliën-agentschappen, en in overleg met alle betrokken actoren, kunnen een eerste stap zijn. Er moet permanent, op alle niveaus en op alle terreinen, aandacht besteed wordt aan deze problematiek. Tegelijkertijd moet er verder werk gemaakt worden van een sociale huisvestingspolitiek. Eerst en vooral omdat er in het Brussels Gewest veel te weinig betaalbare woningen zijn voor mensen met een laag inkomen, van welke origine ze ook zijn. Bovendien betekent meer sociale woningen niet alleen meer betaalbare woningen, maar ook meer woningen die op een objectieve manier worden toegewezen.

2009-10-01 18:29:06

firstnext12345 )  prevlast

vzw Buurthuis Bonnevie - Maison de Quartier Bonnevie asbl
Bonneviestraat 40 - 1080 Molenbeek - T: 02 410 76 31 - F: 02 411 80 33